The Native Circle.

Mitayue Oyasin.

De Wonderbaarlijke Stenen Kano.

Er was eens een jong meisje dat stierf net op de dag waarop ze met een jonge krijger van de stam zou trouwen. De man had de hele zomer naar haar hand gedongen en het was vastgesteld dat ze als de eerste sneeuw viel man en vrouw zouden worden. Toen hij hoorde dat ze dood was kon niemand hem troosten en niets ter wereld kon hem uit zijn droefgeestigheid halen. Hij ging iedere dag naar de plek waar de oude vrouwen van de familie het lichaam van zijn bruid hadden begraven. Zelfs zijn vrienden konden hem niet bewegen in plaats daarvan op jacht te gaan of samen met hen een veldtocht te ondernemen. Zijn hart was als gestorven, noch pijl noch tomahawk interesseerde hem. Toen herinnerde hij zich tenslotte de oude legende van de stam: er zou ergens midden in het bos een pad zijn dat bij het land van de doden uitkwam. Hij besloot meteen dat pad te gaan zoeken.

De volgende morgen al ging hij op weg. Eerst wist hij niet welke richting te kiezen, toen liep hij naar het zuiden waar volgens de overlevering het land der doden lag. Hij zwierf lang door het besneeuwde woud zonder dat hem een verandering opviel; alles zag er net zo uit als thuis. Bossen, heuvels, dalen en beken waren met een dikke laag sneeuw bedekt die het voortgaan bemoeilijkte. Maar uiteindelijk kwam hij in een gebied waar geen sneeuw lag en dat er vriendelijker uitzag; overal zag je vogels, er bloeiden bloemen en dikke knoppen bewezen dat het lente was geworden.

De krijger had de winter definitief achter zich gelaten. De lucht was warm en de zon speelde op het pad dat hij al enige tijd volgde. Nu was hij er zeker van dat hij op de goede weg was, want het was naar men zei altijd zomer in het land van de doden. Hij was net door een klein ahornbosje gelopen toen hij op de heuvel voor zich een wigwam zag. Naast de hut van boombast stond een oude man met lang haar en een boog in de hand. De jonge Chippewyan-indiaan groette hem vriendelijk en stak zijn rechterhand op als teken van vriendschap en om te laten zien dat hij daarin geen wapen droeg.

De oude man wenkte hem naderbij. Toen ze samen aan het vuur zaten begon de jonge krijger zijn verhaal te vertellen. Maar het oude opperhoofd, want dat moest het aan zijn kleding te zien zijn, onderbrak zijn gast:

“Ik heb op je gewacht, want zij naar wie je zoekt is een paar dagen geleden hier voorbijgekomen. Omdat ze uitgeput was door de lange reis heeft ze een tijdje bij mij gerust. Toen moest ze verder en ze kon niet op je wachten. Wees mijn gast, ik zal al je vragen beantwoorden en je raad geven voor de verdere reis. Over de heuvel begint het land van de zielen en mijn wigwam staat aan de grens van het hiernamaals. Als je morgen verder trekt moet je je lichaam bij mij achter laten en ook je boog en je hond. Ik zal alles bewaren tot je terugkomt, want je zult terugkeren naar het land der mensen.”

De volgende morgen ging de jonge krijger weer op weg, maar het was een vreemde wereld geworden. Hoewel alles er natuurlijk bleef uitzien voelde de jongeman zich merkwaardig zorgeloos.

Het land was rijk aan wild, er zongen vogels in de bossen, herten waren op weg naar de drinkplaats en op de open plekken pronkten kalkoenen hanen. Er waren bessen en vruchten in overvloed. De krijger keek verbaasd naar het rijk van de geesten, hij kon zonder ze zelfs maar te voelen met gemak door de dikste bomen lopen.

Die middag kwam hij bij de oever van een groot blauw meer. Er lag een groot eiland in de verte dat schitterde boven het water. Aan de oever dobberde een witte kano, die geheel van steen was maar merkwaardig genoeg toch bleef drijven. Er lagen twee peddels in de boot, wit en glanzend.

Hij dacht niet lang na maar stapte in de kano, greep een peddel en duwde de boot daarmee van de oever af. Plotseling zag hij op het water een tweede kano met daarin het meisje wat hij zo lang had gezocht. Al gauw kwamen de boten naast elkaar op het meer, waarvan de golven alsmaar over de twee kano's dreigden te slaan. Maar het was vreemd, telkens als er een grote golf aankwam schoten de twee boten er doorheen alsof hij van lucht was. Het water was helder en doorzichtig als bergkristal. En op de bodem van het meer lagen de beenderen van vele mensen die bij de overtocht waren omgekomen. Er lagen hele hopen botten, zoveel dat je soms het witte zand niet meer zag. De krijger en het meisje waren erg bang, maar als door een wonder overkwam hun niets. Ze landden ongedeerd op het eiland, want de Grote Geest had besloten deze twee mensen ongehinderd over het meer te laten varen.

Het eiland was een toverland waar altijd de zon scheen en niemand honger hoefde te lijden. Je kon er leven van de lucht, niemand hoefde op jacht te gaan en ook de dieren schenen dat te weten want ze waren niet schuw. Niemand rouwde over doden want op dit eiland hoefde niemand te sterven. Dus waren er geen oorlogen en geen onenigheid.

De jonge krijger was graag in dit land gebleven maar hij hoorde de Grote Geest zeggen: “Ga terug naar je lichaam en naar het land vanwaar je bent gekomen. Als je tijd om is zal ik je roepen. Je bent nog niet klaar met de taak waarvoor je bent geboren. Ga terug naar je stam, eens zul je zijn opperhoofd zijn. Het oude opperhoofd aan wie jij je lichaam hebt gegeven zal je uitleggen waaruit je taak bestaat.

Schenk hem gehoor en eens zul je terugkomen op dit eiland. Nu echter moet je haar die je hierheen heeft gebracht verlaten. Als je doet wat ik zeg zul je haar eens terugzien, want zij mag altijd hier blijven. Ze blijft jong en mooi als op de dag dat ik haar uit het land van sneeuw en winter hierheen heb geroepen.”

Toen de stem van de Grote Geest zweeg ontwaakte de jonge krijger en was hij plotseling thuis waar het nog altijd winter was. Later is hij naar men zegt een groot opperhoofd geworden.

Wil je dit verhaal graag hebben, klik dan op de link hier naast (klik hier), je krijgt dan een pdf-bestand dat je kunt opslaan.

Klik op de afbeelding om naar onze dochter website "Kracht- en Totemdieren" te gaan:

Mitakuye Oyasin.

(We are all related)