The Native Circle.

Mitayue Oyasin.

De Werpsteen.

In een klein dorp bij de rivier Otsiningo woonde lang geleden een jongen, Skunny-Wundy. Hij was niet groot en sterk zoals de andere jongens, maar twee dingen kon hij beter dan zij, snel denken en stenen gooien.

Hoe hard ze zich ook oefenden en inspanden, geen van de andere konden hem met werpen van stenen verslaan. Soms vroegen ze Skunny-Wundy samen met hen stenen te gooien naar de kikkers en de schildpaden op de oever van de rivier.

Maar dat wilde Skunny-Wundy niet. Zijn moeder had hem verhalen verteld over dieren en hij wilde ze geen pijn doen.

Tenslotte wou geen van de andere jongens nog stenen werpen met Skunny-Wundy, maar dat kon hem niet veel schelen.

Bijna iedere dag ging hij naar de rivier om daar stenen te werpen. Skunny-Wundy liep altijd in zuidelijke richting omdat zijn ouders hem dat gezegd hadden.

"Waarom mag ik niet naar het noorden gaan?" vroeg hij op een keer.

"Luister," zei zijn moeder. "In het noorden wonen afschuwelijke wezens, reuzen waarvan de huid van steen is vervaardigd. Pijlen en speren ketsen erop af. Ze zijn groter dan pijnbomen. En weet je wat ze graag eten?"

Skunny-Wundy schudde zijn hoofd, hoewel hij het antwoord wel kende. Hij had dit soort verhalen al wel eens eerder van zijn ouders gehoord.

"Mensen," zei vader van Skunny-Wundy. Een jongen als jij zou voor zo’n stenen reus één hap zijn, maar als ze geen mensen zien vergeten ze dat we bestaan. Als ze niet zo dom waren zouden ze alle mensen al lang hebben uitgeroeid. Ga dus niet naar het noorden."

Gedurende lange tijd, in ieder geval leek het Skunny-Wundy een lange tijd, gehoorzaamde hij zijn ouders. Als hij met stenen wilde gooien ging hij naar het zuiden.

Als hij terugkeerde ging hij nooit verder dan zijn eigen dorp. Maar het werd steeds moeilijker goede werpstenen te vinden.

Op een dag stond Skunny-Wundy heel vroeg op, vroeger dan de zon. Er was verder nog niemand wakker. Hij zei tot zichzelf: "het zal niet erg zijn als ik een heel klein eindje naar het noorden loop. Ik zal niet te ver gaan."

Toen hij naar het noorden liep vond hij al snel goede werpstenen. Daar iets verder op, lag nog een betere! Langzaam liep hij rond de bocht van de rivier en liet hij het dorp ver achter zich.

Tenslotte, toen de zon hoog aan de hemel stond, vond hij een perfecte steen. Hij had precies het juiste gewicht en was glad en plat. Hij plantte zijn voeten stevig op de grond, boog zijn arm en wierp.

De steen sprong twaalf keer op en neer op het water voordat hij zonk en een krans van kringen achterliet op het gladde oppervlak van de rivier. "Weh-Yoh," juichte Skunny-Wundy, "ik ben de beste stenenwerper van de hele wereld."

"Hah-a-hah," bulderde een machtige stem zo hard boven zijn hoofd dat de grond onder zijn voeten ervan beefde. "Je bent heus niet de beste stenenwerper."

Skunny-Wundy keek omhoog. Daar dreigend verschijnend boven de bomen, zag hij de grootste, hongerig kijkende stenen reus die je kunt voorstellen.

De reus bukte zich, pakte en platte steen, zo groot als een beer, en wierp hem over de rivier. Die steen sprong vijftien keer op en neer voor hij zonk.

"Hah-a-hah" bulderde de stenen reus weer. "Nu weet je wie de beste werper van stenen is en nu ga ik je opeten."

Skunny-Wundy wist dat het geen zin had weg te rennen. De stenen reus zou hem met één pas inhalen. Maar hij kon zijn verstand gebruiken.

"Hunh," zei Skunny-Wundy. "Ben je bang dat ik je zal verslaan?"

"Enhh?" Zei de stenen reus. "Ik ben voor niets en niemand bang" en hij stampte zo hard met zijn voeten dat Skunny-Wundy op de grond viel.

"Als je niet bang bent, zullen we een wedstrijd houden om te zien wie de beste werper met stenen is?" Zei Skunny-Wundy.

"Nyoh," zei de stenen reus, "dat is goed, ga je gang, werp je steen. Probeer mij maar te verslaan."

"Ah, nu is mijn arm te vermoeid. Ik heb de hele dag al stenen geworpen. Laat me naar huis gaan en uitrusten ik beloof dat ik morgen terug zal komen voor de wedstrijd." zei Skunny-Wundy.

"Nyoh," zei de stenen reus, "dat is goed. Als de zon morgen op zijn hoogste punt staat, zullen wij de wedstrijd houden. Als ik win, eet ik je op, als jij wint doe ik dat misschien niet."

"Dat is afgesproken," zei Skunny-Wundy terwijl hij al pratende wat achteruit liep. "Ik kom morgen terug."

Skunny-Wundy liep heel langzaam totdat hij om de bocht van de rivier was en de stenen reus hem niet langer kon zien. Toen rende hij hard naar huis. Hij kon niet stil staan voordat hij het dorp kon zien liggen.

Toen herinnerde Skunny-Wundy zich dat hij had beloofd dat hij morgen terug zou komen. Zijn ouders hadden hem geleerd dat het verbreken van een belofte een kwade zaak was.

Maar dat niet alleen, als hij zijn belofte niet nakwam, zou de stenen reus hem misschien gaan zoeken. Hij hoefde de loop van de rivier maar te volgen en dan zou hij niet alleen Skunny-Wundy vinden, maar het hele dorp.

Hij zou niet hem alleen opeten, maar iedereen. Toen Skunny-Wundy die avond naar bed ging, was hij heel stil. Zijn moeder vroeg hem, of er iets aan de hand was, maar Skunny-Wundy zei niets.

Als hij zijn avontuur aan zijn ouders vertelde, zouden deze proberen met de reus te vechten en dan zou deze hen ook opeten. De volgende morgen, voordat de zon opging, liep Skunny-Wundy langzaam in noordelijke richting langs de rivier, hij was er zeker van dat dit de laatste dag van zijn leven zou zijn.

Al lopende bleef hij echter omlaag kijken. Misschien vond hij de juiste steen om de stenen reus mee te verslaan. Hij pakte steeds stenen op, maar gooide ze weer weg. Ze waren geen van alle geschikt.

Toen hoorde hij een zachte stem van de grond voor hem. Die stem riep zijn naam. "Skunny-Wundy, Skunny-Wundy - Neem mij," Skunny-Wundy keek omlaag naar de platte stenen. Sprak een van hen tot hem?

Toen zag hij dat wat hij voor een steen aanzag een kleine schildpad was, zijn hoofd stak uit zijn schild. "Skunny-Wundy," zei de schildpad weer, "neem mij, neem mij, neem mij, neem mij."

"Je wilt dat ik jou als wegwerpsteen gebruikt?" vroeg Skunny-Wundy. "Nyoh, Nyoh, Nyoh, Nyoh!" Zei de kleine schildpad. "Wij kunnen winnen, wij kunnen winnen, wij kunnen winnen, wij kunnen winnen."

"Goed," zei Skunny-Wundy. Een kleine vriend is beter dan helemaal geen vriend als je in moeilijkheden verkeert. De schildpad trok zijn hoofd en pootjes naar binnen en leek nu precies op een werpsteen.

Toen stopte Skunny-Wundy de schildpad in zijn zak en liep verder. De zon stond nu hoog aan de hemel. Al spoedig zou hij bij de plaats komen waar hij de stenen reus zou ontmoeten.

Hij hoorde een geluid als van donder en bliksem. Skunny-Wundy dacht erover hard weg te lopen, maar hij herinnerde zich zijn belofte. Hij liep de bocht om.

"Kweh," bulderde de stenen reus toen hij hem zag Klein hapje, "ik heb op je gewacht, ben je er klaar voor om opgegeten te worden?" Skunny-Wundy zei tegen de reus, "Jij moet eerst gooien, jij hebt mij uitgedaagd."

"Nyoh, dat is goed," zei de stenen reus. Hij pakte een steen zo groot als een hut en toen hhrrummmmmm gooide hij hem. Hij raakte, iedere keer als hij op en neer sprong, het water met een flinke klap.

Hij sprong zeventien keer op en neer en ontwortelde twaalf bomen aan de andere kant van de rivier. "Kom hier, lekker hapje," zei de stenen reus en wou Skunny-Wundy pakken.

"Ik moet eerst mijn steen werpen," zei Skunny-Wundy. Zijn stem klonk rustig, maar zijn hart klopte hevig dat hij dacht dat het zou barsten.

Hij reikte in zijn zak naar een steen en vond de kleine schildpad. Hij nam hem uit zijn zak, strekte zijn arm naar achteren en gooide.

Een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven keer sprong de zogenaamde steen op en neer. Acht, negen, tien elf, twaalf, keer iets langzamer.

Maar op dat moment stak de kleine schildpad zijn pootjes uit en begon te springen. Dertien, veertien keer sprong hij.

Zestien zeventien, achttien, negentien, twintig keer en nu sprong hij in kringen. Eenentwintig tweeëntwintig, drieëntwintig, vierentwintig keer sprong hij op en neer en toen verdween hij onder de oppervlakte.

"Weh-Yoh!" Riep Skunny-Wundy. "Ik heb gewonnen. Eet me maar op als je wilt, maar jij hebt verloren."

De stenen reus werd heel boos. Hij was nog nooit zo boos geweest Hij begon van woede te schudden. Hij schudde en schudde.

Hij schudde zo hard dat er scheuren kwamen in zijn lichaam. Stukken rots vlogen van zijn wangen. Hij schudde harder en harder en harder totdat in elkaar stortte en er slechts een hoop kleine stenen van hem overbleef.

Zo versloeg Skunny-Wundy met hulp van zijn vriend, de kleine schildpad, zijn eerste stenen reus.

Wil je dit verhaal graag hebben, klik dan op de link hier naast (klik hier), je krijgt dan een pdf-bestand dat je kunt opslaan.

Klik op de afbeelding om naar onze dochter website "Kracht- en Totemdieren" te gaan:

Mitakuye Oyasin.

(We are all related)